Menu

Nieuws

U bent hier

Het onroerenderfgoeddecreet evolueert

Het onroerenderfgoeddecreet evolueert

Het Onroerenderfgoeddecreet werd in 2017 door de Vlaamse Regering onderworpen aan een diepgaande evaluatie. Aan de hand van deze evaluatie werkte zij een conceptnota “Aanpassing Onroerenderfgoeddecreet naar aanleiding van de ex-post evaluatie” uit. Hierin stuurde zij al aan op enkele duidelijke wijzigingen, waaronder het uniformiseren en verduidelijken van de procedureregels, het aanscherpen van enkele definities, maar ook het vergemakkelijken van een gemeentelijk beleid en intergemeentelijke samenwerking. Deze conceptnota kreeg uiteindelijk, na advies van de Raad van State en de SARO, een definitieve vorm in het nieuwe ontwerpdecreet van 30 maart 2018 houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie.

 

 

Het bestaande Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en het bijbehorende Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 traden in werking op 1 januari 2015. Eind 2015 werd het Onroerenderfgoedbesluit opnieuw gewijzigd om ook de archeologiebepalingen vanaf 2016 gefaseerd in werking te laten treden.

 

De Vlaamse Regering nam zich nadien al snel voor om het Onroerenderfgoeddecreet- en besluit te evalueren en, waar nodig, aan te passen. Deze evaluatie gebeurde in 2017 en leidde tot het evaluatierapport van 12 mei 2017 en enkele wijzigingsvoorstellen in de conceptnota van 14 juli 2017. Naar aanleiding van deze evaluatieronde kwam de Vlaamse Regering, na advies van de Raad van State en de SARO, op 30 maart 2018 tot het definitief ontwerpdecreethoudende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie”. Uiteraard moet dit ontwerp goedgekeurd worden door het Vlaams Parlement en kunnen de voorstellen nog altijd wijzigen. Toch geeft het ontwerpdecreet een duidelijke blik op de wijzigingen die momenteel op tafel liggen en hun mogelijke impact op de lokale besturen.

 

Verduidelijking begrippen

 

Een eerste interessante wijziging is het vastleggen van de definitie van “ingreep in de bodem”. Deze term wordt momenteel enkel uitgelegd in de memorie van toelichting van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, maar krijgt nu ook een uitdrukkelijke grondslag in het Onroerenderfgoeddecreet. Wel wordt de definitie verduidelijkt voor zowel vergunningsplichtige als niet-vergunningsplichtige handelingen. Beide handelingen kunnen namelijk gepaard gaan met een ingreep in de bodem en beide kunnen impact hebben op de aanwezige archeologische artefacten. Momenteel houdt de onroererenderfgoedregelgeving enkel rekening met het gebied van de vergunningsplichtige handelingen, niet met de impact van eventuele niet-vergunningsplichtige handelingen. Dankzij deze wijziging zal het archeologisch onderzoek, indien verplicht, ook rekening moeten houden met de impact van niet-vergunningsplichtige handelingen op eventuele archeologische artefacten, hoewel enkel de vergunningsplichtige handelingen zullen gelden als referentie voor de verplichtingen en vrijstellingen met betrekking tot de archeologische onderzoeken.

 

Daarnaast stelt de Vlaamse Regering ook voor om de definitie van “cultuurgoederen”, die momenteel vervat ligt in artikel 2, 8° van het Onroerenderfgoedbesluit, te verhuizen naar het Onroerenderfgoedbesluit. Dit met het oog op een meer overzichtelijke regelgeving. De definitie blijft verder ongewijzigd.

 

Een uniformering van de procedureregels

 

De tweede voornaamste wijziging heeft grotendeels betrekking op het vereenvoudigen van het procedurele kader. Zo wilt de Vlaamse Regering het de burger gemakkelijker maken om bezwaar in te dienen tijdens een openbaar onderzoek verbonden aan de vaststelling van een inventaris. Bezwaren moeten overigens niet langer meer aangetekend worden verstuurd.

 

Bovendien zal voor het verwijderen van een onroerend goed uit een vastgesteld inventaris dat volledig gesloopt of verdwenen is, geen openbaar onderzoek meer moet worden georganiseerd. Zo zullen burgers geen inspraak meer krijgen bij de loutere vaststelling dat een inventarisgoed inmiddels volledig gesloopt of verdwenen is. Het teloor gaan van een onroerend goed zal hierdoor vlotter tot een schrapping op de inventaris leiden, wat ten koste gaat van de inspraak van omwonenden.

 

Ten slotte wordt de bekrachtiging van archeologienota’s integraal vervangen door een meldingsplicht. Het zal voortaan volstaan om de gemelde (in plaats van de huidige bekrachtigde) archeologienota toe te voegen aan de omgevingsvergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen met een ingreep in de bodem. Het Agentschap Onroerend Erfgoed of de erkende onroerenderfgoedgemeente zal louter akte nemen van de archeologienota.

 

De erkende onroerenderfgoedgemeenten kunnen zelf vrijstellingen bepalen

 

Ten slotte zullen erkende onroerenderfgoedgemeenten (in de zin van artikel 3.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet) voortaan ook zelf terreinen kunnen vrijstellen van de verplichting tot de opmaak van een archeologienota. Hierdoor krijgen lokale besturen, indien zij erkend zijn, de kans om zelf het lokale archeologiebeleid voor een stuk in eigen handen te nemen. Zij kunnen gebruik maken van deze mogelijkheid voor percelen van maximaal 5000 m² die gelegen zijn op hun grondgebied. De vrijstellingen mogen evenwel geen betrekking hebben op reeds beschermde goederen of op percelen die gelegen zijn in vastgestelde archeologische zones: hiervoor blijven de algemene criteria van het Onroerenderfgoeddecreet gelden.

 

De vrijstellingsmogelijkheid moet bovendien vastgelegd zijn in een gemeentelijk reglement, en moet gebaseerd zijn op een onderzoek door een erkend archeoloog met betrekking tot de archeologische situatie van de gemeente. De redenering achter deze vrijstelling is gebaseerd op de overtuiging dat lokale besturen zelf, op basis van hun ervaringen, waarnemingen en wetenschappelijke argumenten, in staat zouden moeten zijn om in te schatten of bepaalde gebieden al dan niet archeologische waarde zullen bevatten.

 

Kortom, het hier besproken ontwerpdecreet brengt enkele subtiele, maar duidelijke wijzigingen aan in de huidige onroerenderfgoedregelgeving. Ook hier valt op dat de lokale besturen, mits zij erkend zijn als onroerenderfgoedgemeente, zelf meer kunnen instaan voor hun eigen erfgoedrechtelijke en archeologisch beleid.