Menu

Nieuws

U bent hier

De natuur als potentiële spelbreker?

De natuur als potentiële spelbreker?

Met haar besluit van 9 maart 2018 zette de Vlaamse Regering de volgende stap in de volledige integratie van de bestaande vergunningsprocedures in de uniforme omgevingsvergunningsprocedure. De vroegere vergunning voor het wijzigen van vegetaties of kleine landschapselementen (ook gekend als de natuurvergunning) zal vanaf 1 augustus 2018 verlopen volgens de nieuwe omgevingsvergunningsprocedure. Hiermee komt het einde van de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet van 25 april 2014 eindelijk in zicht.

 

Natuurwetgeving wordt vaak stiefmoederlijk behandeld doordat niet alle besturen deze wetgeving even goed kennen of hierover weinig expertise in huis hebben. Nochtans kunnen natuurwaarden bepaalde vergunningsdossiers ernstig in de war sturen en is het belangrijk dat lokale besturen voorzichtig omspringen wanneer zij vermoeden dat er belangrijke natuurwaarden aanwezig zijn. Een vergunning die de bepalingen van de natuurwetgeving schendt, is onwettig en kan dus vernietigd worden.

 

De natuurwetgeving kent op vergunningsniveau twee grote luiken, namelijk de vergunningsplicht bij het wijzigen van kleine landschapselementen of vegetaties in bepaalde gebieden (de natuurvergunning) en het verbod op het wijzigen van bepaalde vegetaties of kleine landschapselementen. Ieder luik wordt hieronder verder besproken:

 

De natuurvergunning als gebiedsgerichte maatregel

 

Momenteel moet men op grond van artikel 13, §4 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna Natuurdecreet) een natuurvergunning aanvragen wanneer men vegetaties of kleine landschapselementen geheel of gedeeltelijk wilt wijzigen.

 

Deze vergunningsplicht is gebiedsgericht en geldt enkel in bepaalde kwetsbare gebieden, zoals groengebieden, parkgebieden, bosgebieden, beschermde duingebieden, enz. Het wijzigen of verwijderen van vegetaties of kleine landschapselementen zal in deze gebieden pas mogen gebeuren na het verkrijgen van een voorafgaandelijke natuurvergunning.

 

Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna Vegetatiebesluit) verduidelijkt welke activiteiten precies vergunningsplichtig zijn. Dit gaat bijvoorbeeld over het afbranden van vegetaties, het bestrijden van vegetaties met chemische of mechanische middelen, het wijzigen van historisch permanenten graslanden, enz.

 

Het aanvragen van een natuurvergunning verloopt momenteel via een aparte vergunningsprocedure en beroepsprocedure. Deze vergunningsprocedures staan beschreven in artikel 11 e.v. van het Vegetatiebesluit. In principe is het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wiens grondgebied de wijzigingen gebeuren bevoegd, maar moeten de eigen diensten van de gemeente en het Agentschap Natuur & Bos bij elke vergunningsaanvraag advies verlenen.

 

De natuurvergunningsprocedure zal vanaf 1 augustus 2018 niet meer volgens haar eigen procedureregels verlopen, maar wordt zij geïntegreerd in de huidige omgevingsvergunningsprocedure.

 

Verbod op het wijzigen van kwetsbare kleine landschapselementen of vegetaties

 

Daarnaast bestaat er op grond van artikel 7 van het Vegetatiebesluit een algemeen verbod om bepaalde kleine landschapselementen of vegetaties te wijzigen. Dit verbod is niet afhankelijk van de bestemming van het gebied (in tegenstelling tot de natuurvergunning), maar geldt enkel voor de soorten die zijn opgesomd in het Vegetatiebesluit.

 

Dit verbod is niet absoluut. De Vlaamse minister van Omgeving kan geval per geval een ontheffing verlenen volgens de voorwaarden van artikel 9 van het Vegetatiebesluit. Let op, deze ontheffingsprocedure is niet hetzelfde als de hierboven beschreven natuurvergunningsprocedure en verloopt volgens haar aparte procedureregels (zie artikel 10, §1 en §2 van het Vegetatiebesluit).

 

De ontheffing blijft bovendien apart bestaan en zal, in tegenstelling tot de natuurvergunning, geen deel uitmaken van de omgevingsvergunningsprocedure.

 

De natuurtoets als rode draad

 

Zowel de natuurvergunning, als de individuele ontheffing, alsook elke vergunningsplichtige activiteit die kleine landschapselementen of vegetaties wijzigt, kunnen pas verleend worden na het toepassen van de natuurtoets.

 

De natuurtoets, vervat in artikel 16 van het Natuurdecreet, is een zogenaamde ‘horizontale’ en ‘niet-gebiedsgerichte maatregel’ die van toepassing is, ongeacht de bestemming van een perceel.

 

De natuurtoets verplicht de vergunningverlenende overheid om na te gaan of het aangevraagde al dan niet vermijdbare schade aan de natuur kan of zal veroorzaken. Bij het vaststellen van vermijdbare schade dient de vergunningverlenende overheid de vergunning te weigeren, dan wel redelijke voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen.

 

In tegenstelling tot de boscompensatie bestaat er bij de natuurvergunning of ontheffing geen compensatieplicht.

 

Dit onderzoek moet blijken uit het vergunningsbesluit zelf, hetzij uit de stukken van het administratief dossier.

 

De impact van de nieuwe omgevingsvergunning voor het wijzigen van vegetaties

 

De integratie van de vergunningsplicht voor het wijzigen van vegetaties of kleine landschapselementen in de omgevingsvergunningsprocedure brengt weinig inhoudelijke wijzigingen met zich mee. Het belangrijkste gevolg is dat vergunningsaanvragers bij het aanvragen van een natuurvergunning (nu omgevingsvergunning voor het wijzigen van vegetaties) dezelfde procedureregels moeten volgen als de huidige omgevings-vergunningsprocedure.

 

Deze integratie schiet op andere vlakken te kort. De situatie blijft onduidelijk en de vergunningverlenende overheden moeten terugvallen op de specifieke, sectorale en vaak onduidelijke bepalingen van het Natuurdecreet en Vegetatiebesluit. Het onderscheid tussen de natuurvergunning op grond van artikel 13, §4 van het Natuurdecreet en het verbod om bepaalde vegetaties te wijzigen op grond van artikel 7 van het Vegetatiebesluit blijft bestaan. Beide regelingen moeten ook nu nog elk volgens hun aparte procedure bekeken en beoordeeld worden.

 

Bovendien bepaalt artikel 9, §1, 2° van het Vegetatiebesluit ook nu al dat als men de vegetatiewijziging vermeldde in de omgevingsvergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen, men geen aparte natuurvergunning of ontheffing van het verbod bij de minister meer moest aanvragen. In dat geval kunnen de handelingen uitgevoerd worden op basis van de omgevingsvergunning, indien uitdrukkelijk voldaan is aan de natuurtoets van artikel 16 van het Natuurdecreet.

 

Lokale besturen blijven dus best, ook na de inwerking van de omgevingsvergunning voor het wijzigen van vegetaties, bijzonder waakzaam voor bijzondere natuurwaarden en moeten steeds nagaan welke procedure zij moeten volgen en/of welke adviezen zij moeten inwinnen.