Menu

Nieuws

U bent hier

Het nieuwe decreet van 8 juni 2018 – meer touwtjes in handen van lokale besturen

Het nieuwe decreet van 8 juni 2018 – meer touwtjes in handen van lokale besturen

Op 8 juni 2018 keurde het Vlaams Parlement het decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. Deze zoveelste wetswijziging na de introductie van de omgevingsvergunning sleutelt verder aan het nieuwe handhavingssysteem en stemt de bepalingen van het DABM (decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid) en de VCRO (de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) verder op elkaar af.

 

Vooral op vlak van de omgevingshandhaving wijzigt het nieuwe decreet van 8 juni 2018 heel wat zaken, zeker wat betreft milieu-inbreuken en milieumisdrijven.

 

Het decreet van 8 juni 2018 is op 2 juli 2018 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Er is geen bijzondere inwerkingtreding voorzien, waardoor het decreet 10 dagen na haar bekendmaking in werking zal treden. De wijzigingen treden dus in werking op 12 juli.

 

Hieronder worden de kernpunten van het nieuwe decreet overlopen:

 

Vaststelling van milieu-inbreuken en milieumisdrijven

Het nieuwe decreet van 8 juni 2018 verduidelijkt dat toezichthouders over de mogelijkheid (en niet de verplichting) beschikken om een proces-verbaal op te stellen, maar dat zij kunnen kiezen om bij de vaststelling van een schending van een milieuvoorschrift een aanmaning kunnen geven zonder onmiddellijk een proces-verbaal op te stellen. De toezichthouder kan dus kiezen om de overtreder eerst aan te manen tot het vrijwillige herstelling van de overtreding, om pas daarna een proces-verbaal op te maken en de handhavingsprocedure te starten als de overtreder blijft stilzitten.

 

Hiermee krijgen de toezichthouders (ook lokaal) meer vrijheid om in te schatten hoe de overtreding het best kan aangepakt worden. Zij kunnen kiezen om een waarschuwing, een aanmaning of een registratie op te leggen, om daarna pas een proces-verbaal op te maken, al dan niet gecombineerd met een bestuurlijke maatregel. Hierdoor is een gefaseerde aanpak mogelijk, wat nu niet het geval is.

 

Daarbij komt ook dat een milieu-inbreuk niet enkel in een verslag van vaststelling moet worden opgenomen, maar in eender welke akte opgemaakt door een verbalisant. Niet enkel de toezichthouders, maar ook politie of niet-toezichthouders zullen een milieu-inbreuk kunnen vaststellen (bv. in een proces-verbaal).

 

Deze wijzigingen maken meer maatwerk mogelijk, wat een goede zaak is voor lokale besturen. Let wel op dat hiermee geen komaf gemaakt wordt met verplichting voor elke ambtenaar die kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf om onmiddellijk de procureur des Konings hiervan te op de hoogte te brengen (zie artikel 29 van het Wetboek Strafvordering). Wanneer een aanmaning dus geen vrijwillig herstel oplevert, moet de toezichthouder dus nog steeds overgaan tot het opmaken van een proces-verbaal.

 

Dwangsombevoegdheid voor lokale besturen

Daarnaast bepaalt het nieuwe decreet van 8 juni 2018 dat lokale besturen voortaan de bevoegdheid hebben om een dwangsom op te leggen, gekoppeld aan een bestuurlijke maatregel. Bovendien zal de dwangsom niet enkel per tijdseenheid (bv. per dag of per week) of per opgelegde bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd, maar ook per schending.

 

De dwangsom moet in dezelfde beslissing opgenomen worden als het besluit om bestuurlijke maatregelen op te leggen. Een dwangsom kan dus ook maar enkel ingaan van zodra de bestuurlijke maatregel schriftelijk werd bevestigd.

 

Bovendien voorziet het decreet dat gemeenten die zelf aan milieuhandhaving doen, ook de bestuurlijke dwangsommen kunnen innen voor hun eigen rekening. Let op: dit zal niet mogelijk zijn binnen het ruimtelijk beleid.

 

Ieder bestuurlijk niveau zal voortaan zelf verantwoordelijk zijn voor de invordering van de bedragen van de maatregelen en dwangsommen die zij opleggen. De gemeenten zullen hiervoor moeten terugvallen op de bespelingen van het Gemeentedecreet (binnenkort het Decreet Lokaal Bestuur).

 

Aanpassing bestuurlijke maatregelen

Een belangrijke wijziging is verder dat de opdeciemen worden geschrapt voor de bestuurlijke geldboetes. Voortaan zal het Vlaams Gewest zelf het volledige bedrag van de bestuurlijke geldboetes bepalen. Dit bekent dat het maximumbedrag van de bestuurlijke geldboetes wordt verhoogd. Nu zal een maximumbedrag van 2 miljoen euro voor de alternatieve bestuurlijke geldboete en 400.000 euro voor de exclusieve bestuurlijke geldboete gelden.

De bestuurlijke geldboetes kunnen voortaan ook geheel of gedeeltelijk opgelegd worden met uitstel van de tenuitvoerlegging, zoals ook momenteel strafrechtelijk mogelijk is. Het uitstel is enkel mogelijk indien tijdens een bepaalde periode voorafgaand aan de schending geen bestuurlijke geldboete, noch een strafrechtelijke geldboete of gevangenisstraf werd opgelegd aan dezelfde overtreder. Het uitstel is niet mogelijk voor de voordeelontneming die wordt gekoppeld aan de geldboete.

 

Het nieuwe decreet voorziet ten slotte ook in een dubbele verjaringstermijn, waarbij een korte verjaringstermijn van vijf jaar geldt die begint bij het afsluiten van het verslag van vaststelling of het proces-verbaal en een langere termijn van twintig jaar die begint op het ogenblik van het plegen van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf.

Hierdoor krijgen overtreders de rechtszekerheid dat een overheid binnen de 5 jaar tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel moeten overgaan, maar is de langere verjaringstermijn voldoende lang opdat lokale besturen (langdurige) milieu-inbreuken of milieumisdrijven tijdig kunnen opmerken en hierop ingrijpen.