Menu

Nieuws

U bent hier

Versoepeling vergunningsplicht in het omgevingsrecht op komst!

Versoepeling vergunningsplicht in het omgevingsrecht op komst!

Bij besluit van 28 september 2018 heeft de Vlaamse regering haar goedkeuring gehecht aan een verzamelbesluit dat uiteenlopende bepalingen bevat inzake ruimtelijke ordening, ruimtelijke veiligheidsrapportage en milieueffectrapportage. Zo wordt o.m. de regelgeving rond vergunningsplichtige functiewijzigingen, aanwijzing van handelingen van algemeen belang, handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect, en de bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, gewijzigd.

 

1. Vergunningsplichtige functiewijzigingen

 

Thans voorziet het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen in een vrijstelling van omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen die erin bestaan in een woongebouw functies uit te oefenen die complementair zijn aan het wonen, zoals kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen, verblijfsrecreatie, detailhandel, restaurant, café en bedrijvigheid.

 

Cumulatieve voorwaarden zijn evenwel dat :

1° het woongebouw is gelegen in een woongebied of in een daarmee vergelijkbaar gebied;

2° de woonfunctie behouden blijft als hoofdfunctie;

3° de complementaire functie een geringere oppervlakte beslaat dan de woonfunctie, met een totale maximale vloeroppervlakte van 100 vierkante meter;

4° de complementaire functie niet strijdig is met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen, of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden.

 

Het verzamelbesluit wijzigt het besluit in die zin dat een complementaire functie in de toekomst ook is vrijgesteld van omgevingsvergunning wanneer het woongebouw is gelegen in een meer dan 15 jaar oude verkaveling.

 

Daarnaast zal de complementaire functie voortaan slechts in overeenstemming moeten zijn met de voorschriften van ‘gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen’ en niet langer noodzakelijk met ruimtelijke uitvoeringsplannen in het algemeen (zoals vb. provinciale of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen). Reden hiervoor is dat gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen doorgaans zeer gedetailleerd zijn waarbij er grondig over is nagedacht welke functies een gemeente wil zien in woongebied, wat in beginsel niet kan worden gezegd van provinciale of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen.

 

2. Handelingen van algemeen belang

 

Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 wijst de handelingen aan die van algemeen belang worden beschouwd en die een ruimtelijk beperkte impact hebben als vermeld in artikel 4.4.7, § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, of als dergelijke handelingen beschouwd kunnen worden, waardoor mag worden afgeweken van bestaande stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften.

 

a) Zonevreemde sportinfrastructuur

 

Aan de lijst van handelingen van algemeen belang wordt nu ook ‘zonevreemde sportinfrastructuur’ toegevoegd.

 

Zonevreemde sportinfrastructuur is net als zonevreemde jeugdlokalen vaak het resultaat van vrij spontaan en organisch gegroeide lokale initiatieven. Omwille van het maatschappelijk belang van sportverenigingen (en dus ook hun infrastructuur) is het aangewezen deze infrastructuur uitdrukkelijk op te nemen in de lijst van handelingen van algemeen belang.

 

Hierbij geldt wel dat niet eender welk gebouw, constructie of terrein in het kader van een sportactiviteit als handeling van algemeen belang kan worden beschouwd. Dit geldt alleen als de sportactiviteit op regelmatige basis georganiseerd wordt door een erkende sportclub, zijnde een sportclub met openbaar karakter die aangesloten is bij een erkende sportfederatie of die erkend is door het lokaal bestuur. Het is aldus geenszins de bedoeling om privé-sportterreinen waar het ruimere publiek geen gebruik van kan maken, voor deze regeling in aanmerking te nemen. Daarom wordt bepaald dat de erkende sportclub een ‘openbaar’ karakter moet hebben. Hieronder wordt verstaan dat eenieder zich bij de sportclub kan aansluiten of dat de terreinen of de sportinfrastructuur toegankelijk is voor bijvoorbeeld het bijwonen van de sportactiviteit of het betreden van de terreinen (al dan niet tegen betaling).

 

Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de aanleg, de wijziging of de uitbreiding van:

- gebouwen;

- constructies die geen gebouw zijn;

- sportterreinen.

 

Om misbruiken en al te grote impact op de open ruimte te voorkomen worden, naast de voorwaarde

dat de sportactiviteit op regelmatige basis dient georganiseerd te worden door een erkende sportclub, een aantal andere strikte voorwaarden opgelegd:

- de gebouwen, de constructies en de terreinen moeten aansluiten bij en in functie staan van bestaande, vergunde of hoofdzakelijk vergunde sportterreinen of sportinfrastructuur;

- nieuwe gebouwen blijven beperkt tot maximaal 100 m² en 300 m³, en slechts één zo’n gebouw is toegelaten;

- de oppervlakte en het bouwvolume van bestaande gebouwen mag maximaal met 20% toenemen. Als de op deze wijze berekende oppervlakte kleiner is dan 100 vierkante meter, kan een totale

bijkomende oppervlakte tot 100 vierkante meter vergund worden. Als het op deze wijze

berekende bouwvolume kleiner is dan 300 kubieke meter, kan een totaal bijkomend bouwvolume

tot 300 kubieke meter vergund worden;

- constructies die geen gebouw zijn, zoals verlichtingspalen, zijn niet hoger dan 15 m en niet groter

dan 200 m²;

- terreinen mogen maximaal 20% uitbreiden ten opzichte van de op 1 april 2018 bestaande,

vergunde of hoofdzakelijk vergunde oppervlakte. Als de op deze wijze berekende oppervlakte

kleiner is dan 500 m², kan een totale bijkomende oppervlakte tot 500 m² vergund worden. Als

de op deze wijze berekende oppervlakte groter is dan 3.000 m², kan slechts een totale bijkomende

oppervlakte tot 3000 m² vergund worden;

 

Door het hanteren van de zinsnede ‘totale bijkomende oppervlakte’ wordt verduidelijkt dat steeds de referentiesituatie van 1 april 2018 moet bekeken worden. Cumulatieve uitbreidingen zijn slechts

mogelijk als ze samengeteld onder de opgesomde oppervlakte- en volumebeperkingen blijven.

 

Naast de hoger vermelde algemene toepassingsvoorwaarden blijven de gekende randvoorwaarden ook hier onverminderd van kracht die moeten waarborgen dat dergelijke initiatieven niet om het even waar kunnen worden vergund. Zo dient in een vergunningsaanvraag te worden gemotiveerd waarom handelingen een ruimtelijk beperkte impact hebben, en dient concreet beoordeeld te worden of de handelingen de grenzen van het ruimtelijk functioneren van het gebied en de omliggende gebieden niet overschrijden, en dit aan de hand van de aard en de omvang van het project en het ruimtelijke bereik van de effecten van de handelingen.

 

b) Dienstenzones/servicestations

 

De lijst van handelingen van algemeen belang met een ruimtelijk beperkte impact wordt gewijzigd wanneer het gaat om servicestations langs wegen.

 

Om duidelijk te maken dat niet alleen de servicestations met full service bedoeld worden (tanken, shoppen, eten en drinken) maar ook parkings waar enkel picknickplaatsen of sanitair aanwezig is of parkings voor trucks, wordt voortaan gesproken over ‘dienstenzones’. Iedere parking of rustplaats wordt beschouwd als een dienstenzone, gezien ook het minimale, zoals het plaatsen van enkele picknickbanken en vuilbakken, als dienst kan worden beschouwd voor de weggebruiker. Naast de basisuitrusting of basisdiensten kunnen dienstenzones uitgebreid worden met bijkomende diensten zoals tankmogelijkheden, restauratiemogelijkheden, shops, bewaakt gedeelte voor vrachtwagens, hotel of motel en dergelijke.

 

Wel wordt bepaald dat een dienstenzone een parking op ‘openbaar domein’ is. Het is niet de bedoeling dat privé-initiatieven om een parking te voorzien, ook beschouwd worden als handeling van algemeen belang.

 

Anderzijds wordt de afwijkingsmogelijkheid beperkt tot ‘autosnelwegen’ in plaats van gewone ‘wegen’. Het is niet de bedoeling dat ook dienstenzones langs andere gewestwegen en gemeentewegen van de afwijkingsmogelijkheden kunnen genieten. Dit wil niet zeggen dat er voor de aanleg, de uitbreiding of de wijziging van dienstenzones langs andere wegen automatisch een planprocedure opgestart moet worden. Op gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de bevoegde overheid vaststellen dat deze handeling een ruimtelijk beperkte impact heeft. Wel zal hierover een projectvergadering gehouden moeten worden en zal de bevoegde overheid in concreto dienen te beoordelen of de handelingen de grenzen van het ruimtelijk functioneren van het gebied en de omliggende gebieden niet overschrijden.

 

c) Warmte- en koudenetleidingen

 

Als handelingen van algemeen belang worden in de toekomst eveneens beschouwd, openbare leidingen voor de ontwikkeling van warmte- en koudenetten.

 

Warmtenetten faciliteren zowel de recuperatie van restwarmte als de inzet van hernieuwbare

energiebronnen (biomassa, biogas, geothermie, omgevingswarmte). Het voordeel van warmtenetten

ten opzichte van individuele warmte-installaties is hun schaalgrootte: wanneer een nieuw net

gerealiseerd wordt, heeft dit een grotere impact op de productiedoelstelling. In de stedelijke gebieden of in gebieden met een voldoende dichtheid wat betreft warmtevraag, kan het opportuun zijn in te zetten op collectieve oplossingen zoals warmtenetten. Deze kunnen in een eerste fase lokaal ontstaan, waarna ze in een latere fase geleidelijk aan met elkaar verbonden worden tot regionale warmtenetten.

 

De aanleg of de wijziging van een warmte- of koudenet is momenteel vergunningsplichtig, wat tot gevolg heeft dat een vergunning moet worden geweigerd wanneer het aangevraagde onverenigbaar is met stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken. Om de ontwikkeling van warmte- en koudenetten te stimuleren voorziet het verzamelbesluit dat de openbare leidingen die hiervoor nodig zijn, met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur, zoals warmteoverdrachtstations, pompgebouwen, aftakstations en andere, worden toegevoegd aan de lijst van handelingen van algemeen belang. Door deze wijziging ontstaat er een gelijke behandeling met openbare elektrische leidingen of openbare gasleidingen.

 

De ondergrondse warmte- en koudenetleidingen die bedoeld zijn voor het openbaar distributienet, en de bijhorende kleinschalige infrastructuur, zoals toezichtsputten, pompputten, ontluchters en voedings- en schakelkasten, worden beschouwd als handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben, in de zin van artikel 3, § 1 van het Besluit handelingen algemeen belang.

 

De ondergrondse en bovengrondse warmte- en koudenetten en de bijhorende bovengrondse infrastructuur zoals warmteoverdrachtstations, pompgebouwen en aftakstations, worden toegevoegd aan artikel 3, §2 van het Besluit handelingen algemeen belang. Mits een concrete motivering door de vergunningverlenende overheid kunnen deze handelingen dan als ‘handeling van algemeen belang met ruimtelijk beperkte impact’ worden aanzien en mag worden afgeweken van de geldende stedenbouwkundige voorschriften.

 

Daarnaast worden warmte- en koudenetleidingen vrijgesteld van vergunning voor zover deze gelegen zijn op openbaar domein.

 

d) Natuurbegraafplaatsen

 

De lijst van handelingen van algemeen belang met een ruimtelijk beperkte impact die vrijgesteld zijn van vergunningsplicht wordt uitgebreid met handelingen in het kader van de zones die de gemeente afgebakend heeft als natuurbegraafplaats voor de uitstrooiing, begraving of bewaring van assen. Concrete handelingen die hier worden beoogd zijn vb. het plaatsen van een gemeenschappelijke gedenksteen of reliëfwijzigingen die de functie van het terrein wijzigen, en een afwijking van de bestemming mogelijk maken.

 

Sinds 2006 is de mogelijkheid voorzien om de uitstrooiing van de as of de bewaring of de

begraving van biologisch afbreekbare urnen in een meer natuurlijke omgeving mogelijk te maken,

op zogenaamde ‘natuurbegraafplaatsen’.

 

Daarnaast worden als handelingen van algemeen belang bestemd de aanleg en de uitbreiding van traditionele begraafplaatsen.

 

e) Dierenasielen en opvangcentra voor wilde dieren

 

In de toekomst kunnen mits concrete motivering door de vergunningverlenende overheid, wijzigingen en uitbreidingen van opvangcentra voor wilde dieren en dierenasielen worden beschouwd als ‘handeling van algemeen belang met ruimtelijk beperkte impact’, op basis waarvan kan worden afgeweken van de geldende stedenbouwkundige voorschriften.

 

Achterliggende reden voor deze wijziging is dat instellingen die onderdak en zorg verschaffen aan dieren, in de praktijk vaak kampen met problemen inzake mogelijke vestigingsplaatsen of noodzakelijke aanpassingen of uitbreidingen. Zowel volgens de Raad van State als volgens de Raad voor Vergunningsbetwistingen is een dierenasiel niet mogelijk in industriegebied. De Raad van State heeft ook reeds geoordeeld dat een dierenasiel niet thuishoort in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen of in agrarisch gebied. Ook binnen woongebied is de Raad voor Vergunningsbetwistingen bijzonder streng bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening van een aanvraag met betrekking tot dieren. Bij onverenigbaarheid met de planologische bestemming lijkt de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan momenteel vaak de enige uitweg.

 

Huidige wijziging moet een oplossing hiervoor bieden.

 

Het is evenwel geenszins de bedoeling het kweken van (huis)dieren via deze weg zonevreemd mogelijk te maken. Dit is immers niet te beschouwen als het verlenen van onderdak en nodige zorgen aan verloren, achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurdverklaarde dieren. Voor de omschrijving van ‘opvangcentrum voor wilde dieren’ en ‘dierenasiel’ wordt verwezen naar de definities in de toepasselijke sectorwetgeving.

 

3. Vrijstelling van medewerking van een architect

 

Thans is bepaald dat de medewerking van een architect niet vereist is voor het oprichten van een veranda of overdekt terras met een maximumoppervlakte van 40 vierkante meter per gebouw of constructie, een kroonlijsthoogte die beperkt is tot 3 meter en een nokhoogte tot 4,50 meter. Als aan een bestaand gebouw wordt aangebouwd, dan mogen de bouwwerken noch de oplossing van een

constructieprobleem met zich meebrengen, noch de stabiliteit van de aanpalende gebouwen wijzigen.

 

In de praktijk ontstaat steeds meer discussie over wat met het begrip ‘veranda’ wordt bedoeld. Traditioneel zijn veranda’s volledig in glas opgetrokken, maar er is een verschuiving merkbaar naar de oprichting van bijgebouwen die niet meer volledig in glas zijn opgetrokken. Hierdoor is het niet steeds duidelijk of de tussenkomst van een architect al dan niet nodig is.

 

Om interpretatieverschillen te vermijden wordt bepaald dat de medewerking van een architect niet vereist is voor veranda’s of soortgelijke constructies, voor zover deze voor minstens 75% uit glas of een ander doorzichtig materiaal bestaan. Hierbij wordt zowel de dakoppervlakte als de geveloppervlakte opgeteld.

 

Het dient benadrukt dat wanneer aan een gebouw wordt aangebouwd en de plaatsing van de constructie gepaard gaat met constructieproblemen, zoals funderingsproblemen, of de stabiliteit van aanpalende gebouwen kan wijzigen, de medewerking van een architect verplicht is en geen aanspraak kan worden gemaakt op een vrijstelling.

 

In de toekomst worden ook technische cabines uitdrukkelijk vrijgesteld van de medewerking van een architect.

 

4. Stedenbouwkundige handelingen, vrijgesteld van vergunning

 

In opvolging van de codextrein wordt bepaald dat de in het Vrijstellingen-besluit opgelijste stedenbouwkundige handelingen vrijgesteld van omgevingsvergunning, ook spelen in verkavelingen ouder dan 15 jaar.

 

Thans geldt er een vrijstelling voor het vellen van hoogstammige bomen die liggen binnen een straal

van maximaal 15 m rond een woning, voor zover ze niet liggen in een bos, en voor zover ze liggen in een woongebied, agrarisch gebied of in een industriegebied in de ruime zin, en niet in een woonparkgebied. Het verzamelbesluit preciseert voortaan dat deze vrijstelling niet geldt voor bomen op openbaar domein, waarop een verplichting tot heraanplanting rust.

 

Daarnaast worden nog een aantal wijzigingen aangebracht inzake reliëfwijzigingen, tijdelijke handelingen en de tijdelijke plaatsing van verplaatsbare constructies, de herinrichting van al ingerichte terreinen, de plaatsing van leidingen van strategisch militair belang, de aanleg of het wijzigen van verhardingen of gebruikelijke ondergrondse constructies en aansluitingen op het openbaar domein, alsook telecommunicatie.

Conclusie :

 

De diverse wijzigingen brengen niet alleen een vereenvoudiging voor de aanvrager met zich. Ook de werklast van de steden en gemeenten wordt hierdoor aanzienlijk herleid.

 

Thans is het nog wachten op de publicatie van het besluit in het Belgisch Staatsblad, voor de inwerkingtreding ervan.