Menu

Nieuws

U bent hier

Nieuwe rechtspraak maakt eigen afwijkingsmogelijkheden voor plannen en verordeningen mogelijk

Nieuwe rechtspraak maakt eigen afwijkingsmogelijkheden voor plannen en verordeningen mogelijk

In principe moet een omgevingsvergunningsaanvraag op basis van artikel 4.3.1., §1 VCRO steeds strikt voldoen aan de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. De VCRO bevat echter verschillende afwijkingsbepalingen, op basis waarvan kan afgeweken worden van de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften. Er bestond echter veel discussie in de rechtsleer en rechtspraak of ook verordeningen of ruimtelijke plannen, buitenom de VCRO, zelf afwijkingen kunnen voorzien. Een recent arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen biedt een antwoord.

 

Artikel 4.4.1. VCRO als voornaamste afwijkingsbepaling

 

De voornaamste afwijkingsbepaling in de VCRO zit vervat in artikel 4.4.1. VCRO. Dit artikel bepaalt dat omgevingsvergunningsaanvragen ‘beperkt’ mogen afwijken van stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot perceelafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen. Afwijkingen zijn echter uitdrukkelijk uitgesloten als zij betrekking hebben op de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen.

 

De VCRO definieert niet wanneer een afwijking precies ‘beperkt’ is. Uit de vrij strenge rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen blijkt echter dat de afwijking geen afbreuk mag doen aan de essentiële elementen van het geschonden stedenbouwkundig voorschrift. De afwijking mag met andere woorden het stedenbouwkundig voorschrift niet uithollen of omzeilen.

 

Daarenboven is een beperkte afwijking op basis van artikel 4.4.1. VCRO enkel mogelijk na het houden van een openbaar onderzoek. Zonder openbaar onderzoek, zoals bijvoorbeeld in een vereenvoudigde vergunningsprocedure, is een beperkte afwijking verboden.

 

Kan een ruimtelijk plan of stedenbouwkundige verordening zelf afwijkingsmogelijkheden voorzien?

 

Het was tot voorkort vaste rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat een vergunningverlenende overheid altijd rekening moet houden met de strenge eisen van artikel 4.4.1. VCRO, óók wanneer een ruimtelijk plan of een stedenbouwkundige verordening zelf in eigen afwijkingsmogelijkheden voorziet. In veel plannen of verordeningen staan stedenbouwkundige voorschriften opgelijst, maar waarbij het plan of de stedenbouwkundige verordening zelf aangeeft op welke wijze omgevingsvergunningsaanvragen kunnen afwijken van deze voorschriften.

 

Maar ook in dat geval blijft artikel 4.4.1. VCRO dus gelden. In die zin moet steeds een openbaar onderzoek georganiseerd worden, moet de afwijking voldoende beperkt zijn en is een afwijking uitgesloten met betrekking tot de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen.

 

Die absolute eisen, waaraan steeds moet voldaan zijn, maken het bijzonder moeilijk voor lokale besturen om zelf eigen afwijkingsmogelijkheden op te nemen in hun lokale ruimtelijke plannen of stedenbouwkundige verordeningen.

 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen wijzigt haar visie

 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen lijkt terug te komen op haar rechtspraak in enkele recente arresten van 12 juni 2018 en 6 november 2018. In deze arresten stelt de Raad vast dat de beperkte afwijkingsmogelijkheid op basis van artikel 4.4.1. VCRO toch moet onderscheiden worden van een afwijking in een vergunning die steunt op een afwijkingsregeling in het plan of de verordening zelf.

 

Voor zover de toepassingsvoorwaarden van een dergelijke afwijkingsregeling vervuld zijn, berust de afwijking op een keuze van de bevoegde overheid zelf, blijft de aanvraag binnen de contouren van het plan of de stedenbouwkundige verordening en kan zij worden vergund zonder dat artikel 4.4.1, §1 VCRO toegepast moet worden. Dergelijke afwijking moet dan ook niet langer onderworpen worden aan een openbaar onderzoek, beperkt zijn en kan betrekking hebben op de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen.

 

Artikel 4.4.1. VCRO verliest hiermee haar positie als absolute afwijkingsbepaling en zal dus enkel toegepast moeten worden als rechtsgrond voor een afwijking als het plan of de verordening niet in een eigen afwijkingsregeling voorzien of als de toepassingsvoorwaarden daarvan niet vervuld zijn. Artikel 4.4.1. VCRO krijgt hiermee een subsidiaire rol en zal slechts worden toegepast indien het plan of de verordening zelf niets voorzien.

 

Impact van deze nieuwe rechtspraak

 

De nieuwe rechtspraak betekent niet dat omgevingsvergunningsaanvragen nu ongebreideld kunnen afwijken van plannen en verordeningen. Het afwijken van een plan of verordening zal namelijk nog steeds enkel mogelijk zijn indien de stedenbouwkundige voorschriften zélf in een afwijkingsmogelijkheid voorzien. Het legaliteitsbeginsel vereist dat een afwijking steeds uitdrukkelijk moet voorzien zijn. Als het plan of de verordening zelf niets voorzien, zijn afwijking slechts mogelijk als zij voldoen aan de eisen van artikel 4.4.1. VCRO.

 

Merk ook op dat afwijkingsbepalingen altijd bijzonder strikt moeten geïnterpreteerd worden. Een al te brede interpretatie zou namelijk afbreuk doen aan de algemene draagwijdte van een stedenbouwkundig voorschrift. Men kan eigen afwijkingsbepalingen van ruimtelijke plannen of stedenbouwkundige verordeningen dus niet zomaar gebruiken om voorschriften te omzeilen of uit te hollen.

 

Verder mag men niet vergeten dat afwijkingen nog steeds moeten blijven voldoen aan de goede ruimtelijke ordening. Sterker zelfs, indien mijn afwijkt van een plan verliest men het vermoeden van conformiteit met de goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 4.3.1, §2, 3° VCRO. Afwijken van een plan heeft dus niet enkel voordelen, maar maakt maar een bredere beoordeling noodzakelijk. Vergunningverlenende overheden motiveren best uitvoerig waarom zij denken dat een vergunningsaanvraag in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening, ondanks de gevraagde afwijkingen.

 

Positief is dat deze nieuwe rechtspraak lokale besturen meer flexibiliteit gunt om zelf aan de slag te gaan met hun plannen en verordeningen. Zij kunnen zelf de krijtlijnen uittekenen waaraan afwijkingen moet voldoen en kunnen zelf voorzien in bijkomende afwijkingsmogelijkheden, naargelang de karakteristieken van bepaalde dossiers.