Menu

Nieuws

U bent hier

Recente wijzigingen voor gemeenten inzake de verplichte archeologienota bij ‘omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen’ opgefrist!

Recente wijzigingen voor gemeenten inzake de verplichte archeologienota bij ‘omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen’ opgefrist!

Met ingang van 1 april 2019 is art. 5.4.1 Onroerenderfgoeddecreet gewijzigd. Dat bepaalt wanneer bij een omgevingsvergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen verplicht een archeologienota moet worden gevoegd, en hoe dit precies moet gebeuren. Het volstaat voortaan dat de archeologienota ‘gemeld’ is in plaats van ‘bekrachtigd’ en dat de ambtenaar de ‘aktename’ vaststelt. Van vergunning ‘vrijgestelde’ ingrepen in de bodem worden voortaan niet langer meegeteld voor de gehanteerde oppervlaktenorm.

 

1. Het Onroerenderfgoeddecreet – de tussentijdse evaluatie en de recente wijziging

Het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en het bijhorende Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 traden grotendeels in werking op 1 januari 2015. Eind 2015 werd het Onroerenderfgoedbesluit gewijzigd om ook het archeologiehoofdstuk met ingang van 2016 gefaseerd in werking te laten treden.

Het Vlaamse regeerakkoord 2014-2019 bepaalde dat de eerste resultaten van het decreet en de effecten ervan op het terrein zullen worden geëvalueerd, met het oog op eventuele bijsturingen. Begin 2017 vond een evaluatie plaats voor de periode 2015-2016. Die resulteerde in een conceptnota met enerzijds aanpassingen die aan de regelgeving worden voorgesteld en anderzijds initiatieven die het Agentschap Onroerend Erfgoed bijkomend onderneemt, tegemoetkomend aan de begeleidende, sensibiliserende en kaderstellende rol van het agentschap.

Het ‘decreet van 13 juli 2018 houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie’ (verder ‘het wijzigingsdecreet’) brengt concreet uitvoering aan de vooropgestelde wijzigingen.

Met artikel 10 van het wijzigingsdecreet werd artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet met ingang van 1 april 2019 gewijzigd, dat bepaalt wanneer bij een omgevingsvergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen verplicht een archeologienota moet worden gevoegd, en hoe dit precies moet gebeuren.

In de praktijk blijkt men zich niet steeds volledig bewust te zijn van de concrete wijzigingen én de impact ervan op het terrein.

Reden om één en ander even op te frissen.

 

2. ‘Bekrachtigde’ archeologienota wordt ‘gemelde’ archeologienota

Een eerste belangrijke wijziging bestaat erin dat niet langer een ‘bekrachtigde’ archeologienota bij de aanvraag moet worden gevoegd, maar een ‘gemelde’ archeologienota volstaat.

Voortaan meldt de erkend archeoloog de (archeologie)nota via het archeologieportaal. Het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente gaat na of de (archeologie)nota opgesteld is volgens de Code van Goede Praktijk. Is dat het geval, dan neemt het agentschap of de erkende gemeente ‘akte’ van de (archeologie)nota. Eventueel kunnen voorwaarden aan deze aktename worden gekoppeld. Als het voorgestelde programma van maatregelen echter geen goede omgang met het archeologisch erfgoed garandeert of geen nuttige kenniswinst oplevert, dan zal het agentschap of de erkende gemeente ‘geen akte’ van de (archeologie)nota nemen.

De behandelingstermijn wordt verkort van 21 kalenderdagen naar 15 kalenderdagen.

Archeologienota’s en nota’s waarvan (onder voorwaarden) akte is genomen, worden gepubliceerd via het e-loket. Naast de archeologienota’s en de nota’s waarvan akte is genomen (onder voorwaarden), worden ook de voorwaarden zelf weergegeven. De voorwaarden kunnen worden teruggevonden onder de kaart met het projectgebied.

Een andere manier om deze archeologienota’s en nota’s op te zoeken, is via het Geoportaal. In dat geval mag evenwel niet worden vergeten de laag ‘archeologienota’s en nota’s’ aan te vinken.

 

Wat verandert er voor de vergunningverlenende overheid ?

Wanneer een archeologienota vereist is, kijk je na of er een archeologienota bij het aanvraagdossier werd gevoegd. Via het Geoportaal of het e-loket kan je nagaan of de archeologienota in het verleden al bekrachtigd werd of er akte van genomen werd (al dan niet met voorwaarden). Is de archeologienota niet gepubliceerd en kan je deze niet terugvinden via het Geoportaal of e-loket, dan is de archeologienota nog niet goedgekeurd.

In dat geval is de archeologienota misschien al wel gemeld, maar loopt de behandelingstermijn van 15 kalenderdagen nog. De aanvrager van de omgevingsvergunning moet dan een ontvangstbewijs van de gemelde archeologienota indienen bij zijn aanvraag. Na het verloop van de termijn vermeld in het ontvangstbewijs, kan via het Geoportaal of het e-loket worden nagaan of er akte genomen werd van de archeologienota of niet.

Is dat niet het geval en is de termijn voor de beslissing over de vergunning ten einde, dan dient de vergunning te worden geweigerd.

 

3. Oppervlaktenorm voor archeologienota wordt beperkt tot ‘vergunningsplichtige’ stedenbouwkundige handelingen met bodemingrepen

Voor zover het Onroerenderfgoeddecreet de ‘oppervlakte’ van de ingreep in de bodem in aanmerking neemt voor het bepalen van de verplichting of de vrijstelling van een archeologisch onderzoek, moeten vanaf 1 april 2019 voor het bepalen van deze oppervlakte enkel nog de ‘vergunningsplichtinge’ ingrepen in aanmerking worden genomen.

Het gewijzigde Onroerenderfgoeddecreet en -besluit geven hierover zélf geen verdere toelichting.

Bijgevolg dient de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is (zgn. ‘Vrijstellingsbesluit’) en het besluit van Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (zgn. ‘Meldingsbesluit’) te worden geraadpleegd teneinde te beoordelen of er sprake is van ‘vergunningsplichtige’ bodemingrepen die aanleiding geven tot de verplichte opmaak van een archeologienota.

Voor de aanvrager wordt het bijgevolg essentieel om in zijn oppervlakteberekening een duidelijk onderscheid te maken tussen al dan niet vergunningsplichtige ingrepen.

De vergunningverlenende overheid dient zich anderzijds bewust te zijn van de verlaagde drempels én het te maken onderscheid tussen vergunningsplichtige dan wel vrijgestelde/meldingsplichtige ingrepen in de bodem.

 

Art. 5.4.1 Onroerenderfgoeddecreet luidt voortaan als volgt :

Voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet een archeologienota zoals vermeld in artikel 5.4.8 en artikel 5.4.12 opgesteld en gemeld worden in volgende situaties:

1° aanvragen met betrekking tot percelen die gelegen zijn in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site;

2° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem 100 m2 of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 300 m2 of meer bedraagt en waarbij de betrokken percelen geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones;

3° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem 1000 m2 of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 3000 m2 of meer bedraagt en waarbij de percelen volledig gelegen zijn buiten archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones.

Voor de toepassing van dit artikel op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de hele werf van het te vergunnen werk.

 

De aanvrager van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt van die verplichting vrijgesteld:

1° indien de aanvraag volledig betrekking heeft op een gebied waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;

2° indien de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden aan bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden binnen een archeologische zone, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones, waarbij de oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem buiten het gabarit van de bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden minder dan 100 m2 beslaat;

3° indien de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden aan bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden buiten een archeologische zone, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones en buiten een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, waarbij de oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem buiten het gabarit van de bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden minder dan 1000 m2 beslaat, wanneer de lijninfrastructuur waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd meer dan 1000 meter bedraagt;

4° indien de aanvrager een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon is, de totale oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem minder dan 5000 m2 beslaat, en de betrokken percelen volledig gelegen zijn buiten woongebied of recreatiegebied en buiten archeologische zones opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones en buiten beschermde archeologische sites;

indien de handelingen louter betrekking hebben op verbouwingswerken of vernieuwbouw, zonder bijkomende vergunningsplichtige ingreep in de bodem;

6° indien de handelingen louter betrekking hebben op de regularisatie van vergunningsplichtige projecten, overeenkomstig artikel 81 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en alle vergunningsplichtige ingrepen in de bodem al zijn uitgevoerd;

7° indien de stedenbouwkundige aanvraag kadert in verbeterd bodembeheer en uitsluitend betrekking heeft op een reliëfwijziging in agrarisch gebied, niet gelegen in een archeologische zone zoals opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones of een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, als gevolg van een afgraving van teelaarde tot 40 cm en de latere toevoeging met dezelfde teelaarde;

8° indien de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden binnen het gabarit van bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden;

9° indien de aanvraag geheel betrekking heeft op percelen binnen het grondgebied van een erkende onroerenderfgoedgemeente waarvoor de gemeenteraad in een gemeentelijk reglement een vrijstelling heeft voorzien en de aanvraag geen betrekking heeft op beschermde goederen of op percelen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een archeologische zone, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones. De vrijstellingen in het gemeentelijk reglement zijn gebaseerd op onderzoek naar de archeologische situatie in de betrokken gemeente door een erkende archeoloog in dienst van de erkende onroerenderfgoedgemeente en hebben betrekking op percelen met een oppervlakte van 5000 m2 of minder.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor deze vrijstellingen bepalen.

 

De aanvrager van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen kan een archeologienota waarvan al akte is genomen indienen als de aanvraag betrekking heeft op hetzelfde perceel of dezelfde percelen en als de ingreep in de bodem van de te vergunnen werken overeenkomt met de ingreep in de bodem van de vergunningsplichtige , werkzaamheden die in de archeologienota waarvan akte is genomen zijn omschreven. Als er in de archeologienota een archeologische opgraving werd opgelegd, moet deze zijn uitgevoerd en moet daarover een archeologierapport aan het agentschap zijn bezorgd. In het geval dat er gebruik is gemaakt van onderafdeling 7 van deze afdeling, moet de nota waarvan akte is genomen zijn uitgevoerd. Als er in de nota een archeologische opgraving wordt opgelegd, moet daarover een archeologierapport aan het agentschap zijn bezorgd.

 

Conclusie :

Waar voor de aanvrager de procedure inzake de bij de aanvraag te voegen archeologienota aanzienlijk wordt vereenvoudigd, wordt de werklast daarentegen gedeeltelijk verschoven naar de vergunningverlenende overheid. De ambtenaar zal voortaan finaal niet alleen online moeten nagaan of uiteindelijk ‘akte’ werd genomen van de gemelde archeologienota, maar zal voorafgaand ook moeten controleren of de juiste oppervlakte van vergunningsplichtige handelingen met ingrepen in de bodem in aanmerking werd genomen teneinde de correcte oppervlaktenorm te berekenen, dienstig voor de al dan niet verplicht op te maken archeologienota.

Of deze wijziging het initiële doel van de introductie van de archeologienota niet voorbijschiet, zal de toekomst moeten uitwijzen.