Menu

Nieuws

U bent hier

Afwijken van oude BPA’s ook mogelijk voor klassieke stedenbouwkundige vergunningsaanvragen

Afwijken van oude BPA’s ook mogelijk voor klassieke stedenbouwkundige vergunningsaanvragen

De Raad voor vergunningsbetwistingen bevestigt in een arrest van 24 september 2019 dat ook de klassieke stedenbouwkundige vergunningsaanvragen (volgens de oude VCRO-vergunningsprocedure) beroep kunnen doen op de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.9/1 VCRO, waarmee vergunningsaanvragen kunnen afwijken van BPA’s (bijzondere plannen van aanleg) die ouder zijn dan 15 jaar. Opvallend is dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen hiermee ingaat tegen haar eerdere rechtspraak.

 

Versoepeling aan de hand van de Codextrein

De Codextrein (het decreet van 8 december 2018 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving) introduceerde enkele nieuwe afwijkingsbepalingen, waaronder het gloednieuwe artikel 4.4.9/1 VCRO. Op basis van dit artikel mag een vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een vergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een BPA, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag. Afwijkingen kunnen wel niet toegestaan worden voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden. Bovendien is artikel 4.4.9/1 VCRO enkel van toepassing op BPA’s die een aanvulling vormen op welbepaalde gewestplanbestemmingen.

Deze afwijkingsmogelijkheid betekent niet dat het BPA verdwijnt of haar rechtskracht verliest. Want wie zich wel aan de stedenbouwkundige voorschriften houdt, heeft meer zekerheid over de uitkomst van de vergunningsaanvraag dan wie dit niet doet. Want als de stedenbouwkundige voorschriften voldoende gedetailleerd zijn, worden deze voorschriften vermoed de goede ruimtelijke ordening weer te geven en valt de aanvraag onder het vermoeden van conformiteit met de goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 43.1., §2, eerste lid, 3° VCRO.

Sinds het Verzameldecreet (het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw) kan de gemeenteraad echter gemotiveerd beslissen dat voor een BPA, de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.9/1 VCRO niet kan worden toegepast. Hiermee is de werking van dit artikel gedeeltelijk teruggeschroefd.

 

Ook voor stedenbouwkundige vergunningsaanvragen?

Er heerst echter al lange tijd onduidelijkheid of de bepalingen van de Codextrein ook van toepassing zijn op lopende stedenbouwkundige vergunningsaanvragen die verlopen overeenkomstig de ‘klassieke’ VCRO-procedure en niet volgens de nieuwere omgevingsvergunningsprocedure. Het Omgevingsvergunningsdecreet licht het toepassingsgebied van deze bepalingen, dan wel de temporele werking ervan, namelijk niet toe.

In een arrest van 29 januari 2019 (met arrestnummer RvVb-S-1819-0543) heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen aangegeven dat deze afwijkingsbepaling van de Codextrein niet van toepassing was op lopende stedenbouwkundige vergunningsprocedures. Zij was van oordeel dat aangezien de tekst van artikel 4.4.9/1 VCRO enkel verwijst naar “omgevingsvergunningen”, dit artikel ook enkel van toepassing was op omgevingsvergunningsaanvragen die verlopen volgens de omgevingsvergunningsprocedure. Dus ondanks dat artikel 4.4.9/1 VCRO al in werking trad op 30 december 2017, zou de afwijkingsbepaling uitsluitend betrekking kunnen hebben op omgevingsvergunningsaanvragen en niet op stedenbouwkundige vergunningsaanvragen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen motiveerde dit als volgt: “Dit alles doet evenwel niet af aan het gegeven dat dat artikel 4.4.9/1 VCRO een bijkomende toepassingsvereiste stelt in de zin dat de afwijkingsbepaling – die aldus restrictief moet geïnterpreteerd worden – louter mag toegepast worden bij het “verlenen van een omgevingsvergunning”. In dat verband mag opgemerkt worden dat een duidelijke bepaling geen interpretatie behoeft en artikel 4.4.9/1 VCRO in casu niet kan worden toegepast.”

 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen corrigeert zichzelf

Opvallend is dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in haar arrest van 24 september 2019 terugkomt op haar eerdere rechtspraak en plots oordeelt dat de afwijkingsbepaling van artikel 4.4.9/1 VCRO wél van toepassing kan zijn op stedenbouwkundige vergunningsaanvragen, ingediend voor de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet. De Codextrein voorziet voor dit artikel namelijk zelf niet in een overgangsbepaling, noch sluit het decreet uitdrukkelijk uit dat deze afwijkingsbepaling van toepassing kan zijn op stedenbouwkundige vergunningsaanvragen. De decreetgever heeft op dit punt geen duidelijkheid verschaft.

Maar waar de Raad voor Vergunningsbetwistingen in haar eerder arrest artikel 4.4.9/1 VCRO tekstueel interpreteert en het begrip “omgevingsvergunningen” letterlijk opneemt, komt zij hierop terug in haar arrest van 24 september 2019. De Raad maakt een ‘doelgerichte’ interpretatie van artikel 4.4.9/1 VCRO en verwijst naar de mogelijkheid om af te wijken van verkavelingsvergunningen ouder dan 15 jaar, vervat in artikel 4.3.1, §1, c) VCRO. Die afwijkingsmogelijkheid is wel van toepassing op “vergunningen” en niet slechts op omgevingsvergunningen. Een woordelijke interpretatie zou dus inhouden dat stedenbouwkundige vergunningsaanvragen wel kunnen afwijken van verkavelingsvergunningen ouder dan 15 jaar, maar niet van BPA’s ouder dan 15 jaar. Dit is onwenselijk, wat de Raad motiveert als: “Een andere interpretatie aankleven zou tot de onlogische situatie leiden dat bij de behandeling van een lopende stedenbouwkundige vergunning met ingang van 30 december 2017 wel zou kunnen leiden tot het grotendeels wegvallen van voormelde weigeringsgrond inzake verkavelingsvoorschriften, maar niet van BPA’s ouder dan 15 jaar. Beide wijzigingen van de VCRO werden ingevoerd door dezelfde Codextrein, en zijn gestoeld op gelijkaardige motieven.”

 

Vloedgolf aan afwijkingen

De impact van dit arrest zal vermoedelijk niet al te groot zijn. Er zijn slechts nog maar een beperkt aantal stedenbouwkundige vergunningsaanvragen lopende, en dan veelal enkel in de procedures waar een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen is tussenkomen. De correctie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen komt dus helaas te laat voor het gros van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen. Dit neemt echter niet weg dat de lopende stedenbouwkundige vergunningsaanvragen alsnog beroep kunnen doen op artikel 4.4.9/1 VCRO en het een goede zaak is dat de Raad duidelijkheid verschaft over het toepassingsgebied van dit artikel.