Menu

Nieuws

U bent hier

Stallen voor hobbydieren in agrarisch gebied. Raad voor Vergunningsbetwistingen scherpt in recente rechtspraak kantjes van nieuwe regelgeving aan

Stallen voor hobbydieren in agrarisch gebied.
Raad voor Vergunningsbetwistingen scherpt in recente rechtspraak kantjes van nieuwe regelgeving aan

Met zijn arrest van 22 oktober 2019 verduidelijkt de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat een hobbystal in landbouwgebied enkel kan worden opgericht bij de eigen hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning van de aanvrager, en niet bij een andere woning die niet aan de aanvrager toebehoort. Het arrest wijkt hiermee af van het standpunt dat tot dusver werd gehuldigd door het departement Omgeving van de Vlaamse overheid en verdient dan ook een bijzondere aandacht bij de correcte beoordeling van vergunningsaanvragen.

 

1. Aanvankelijk: stal enkel in agrarisch gebied voor zover onderdeel van (para-)agrarische activiteiten

In artikel 11 van het Koninklijk Besluit betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (ook wel het ‘Inrichtingsbesluit’ genoemd) wordt toegelicht dat de ‘agrarische gebieden’ bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen benevens mogen de agrarische gebieden enkel volgende zaken bevatten: de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens ‘para-agrarische bedrijven’.

Zowel de Raad voor Vergunningsbetwistingen als de Raad van State stelde zich op het standpunt dat in agrarisch gebied enkel agrarische activiteiten en para-agrarische activiteiten kunnen worden toegelaten, en aldus geen ‘recreatieve’ activiteiten.

Stallen en andere faciliteiten voor paarden werden bijgevolg wél toegelaten wanneer zij dienstig zijn voor bijvoorbeeld het fokken of verzorgen van dieren als agrarische activiteit, of wanneer zij een functie vervullen bij bijvoorbeeld hippotherapie, inseminatiecentra of paardenpensions als para-agrarische activiteit.

Stallen en andere faciliteiten werden daarentegen niet toegelaten bij manèges, een stoeterij waar paarden enkel worden getraind of gedresseerd of een zuivere rijpiste, nu er hier sprake is van een louter ‘recreatieve’ aanwending van de percelen wat niet strookt met de bestemming tot agrarisch gebied.

Als uitzondering werden beperkte limitatief opgesomde afwijkingen voorzien, zoals bijvoorbeeld een zonevreemde functiewijziging waarbij constructies onder welbepaalde voorwaarden mits vergunning konden worden omgevormd voor onder meer een paardenhouderij, manege, dierenpension, dierenartsenpraktijk, kinderboerderij; of als vrijgestelde handeling zoals het plaatsen van schuilhokken voor grazende dieren.

 

2. Codextrein voorziet in uitbreiding van afwijkingsmogelijkheid

In de praktijk werd er een belangrijk knelpunt vastgesteld inzake de mogelijkheid tot het stallen van paarden in agrarisch gebied in het kader van een niet-professionele paardenhouderij.

Hieraan werd tegemoetgekomen door een nieuwe afwijkingsmogelijkheid opgenomen in artikel 67 van het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (ook wel de ‘Codextrein’ genoemd), zoals in werking getreden op 30 december 2017.

In gebieden met een gebiedsaanduiding die tot de categorie `landbouw' behoren, kon voortaan voor zover er geen bestaande stallingsmogelijkheden zijn, een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen worden afgegeven voor het oprichten van één stal voor weidedieren die geen betrekking heeft op een effectief beroepslandbouwbedrijf, als voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden:

1° de stal wordt volledig opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning;
2° de stal heeft een maximale kroonlijsthoogte van 3,5 meter;
3° de stal heeft een maximale vloeroppervlakte van 120 vierkante meter per hectare graasland, met een absoluut maximum van 200 vierkante meter.

Bij de beoordeling van vergunningsaanvragen wordt rekening gehouden met de landschappelijke inpasbaarheid in het gebied.

Gebieden met bestemmingsvoorschriften van een plan van aanleg die overeenkomstig artikel 7.4.13 VCRO werden geconcordeerd naar de categorie met de gebiedsaanduiding `landbouw' worden gelijkgesteld met gebieden met een gebiedsaanduiding die behoren tot de categorie `landbouw'.

De mogelijkheid geldt evenwel niet in de volgende gebieden:

1° ruimtelijk kwetsbaar gebied;
2° gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen als:

a) bouwvrij agrarisch gebied;
b) agrarisch gebied met overdruk natuurverweving.

De omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het oprichten van een stal voor weidedieren vervalt evenwel van rechtswege naast de gevallen, vermeld in artikel 99 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, als gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren geen weidedieren worden gehouden op het perceel of de percelen waarop de vergunning betrekking heeft.

Na het verval van de vergunning moet de stal voor weidedieren binnen zes maanden worden afgebroken.

 

3. Raad voor Vergunningsbetwistingen preciseert toepassingsvoorwaarden in recent arrest

In zijn arrest van 22 oktober 2019 scherpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen de toepassingsvoorwaarden van de afwijkingsbepaling aan.

Vooreerst wijst de Raad erop dat artikel 4.4.8/2 VCRO een afwijkingsbepaling vormt, en op grond van die hoedanigheid reeds restrictief moet worden geïnterpreteerd.

Vervolgens preciseert de Raad dat waar artikel 4.4.8/2, §1, eerste lid, 1° VCRO de oprichting van de stal binnen een straal van vijftig meter van “een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning” als toepassingsvoorwaarde stelt. Daarmee wordt de woning van de aanvrager bedoeld.

Het is volgens de Raad niet in te denken dat in die regeling de afstand van de woning van de aanvrager tot de stal, die toch medebepalend is voor de mogelijkheid van toezicht op en opvolging van de dieren, niet van belang zou zijn. Evenmin is het volgens de Raad in te denken dat in een dergelijke afwijkingsregeling de vergunningstoestand van de woning van de ‘aanvrager’ zelf geen rol zou spelen.

Voor zover de afstand van de stal tot de woning die niet toebehoort aan de eigenaar in aanmerking wordt genomen, is volgens de Raad aldus niet voldaan aan de gestelde voorwaarden.

Het arrest wijkt hiermee af van het standpunt dat door het departement Omgeving van de Vlaamse overheid tot nu toe werd gehuldigd, met name dat de woning zich niet op hetzelfde perceel moest bevinden als het perceel waarop de hobbystal wordt ingeplant, noch dat de woning eigendom moest zijn van de aanvrager van de hobbystal.

 

Conclusie:

Het arrest maakt duidelijk dat de nieuwe spelregels die door de decreetgever tot stand worden gebracht geen eenduidig, laat staan consistent gegeven vormen, en dat de toepassing van de regelgeving in de praktijk ertoe kan leiden dat de arresten van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (of de Raad van State als cassatierechter) hierbij belangrijke kanttekeningen kunnen plaatsen, die de bevoegde overheid niet mogen ontgaan bij de vergunningverlening.