Menu

Nieuws

U bent hier

‘Collectieve volkstuin’ in agrarisch gebied. Toegelaten of niet?

‘Collectieve volkstuin’ in agrarisch gebied. Toegelaten of niet?

In het kader van het herbestemmen van (verlaten) agrarisch gebied enerzijds, en een efficiënt ruimtegebruik in combinatie met de realisatie van nieuwe woonvormen anderzijds trachten projectontwikkelaars steeds vaker de ruimte in woongebied maximaal te bebouwen waarbij de tuinzone wordt geminimaliseerd, en waar mogelijk wordt afgewenteld op het agrarisch gebied dat aansluit op de bouwkavels, onder de noemer van ‘collectieve volkstuin’. In een recent arrest van 7 januari 2020 trekt de Raad voor Vergunningsbetwistingen evenwel opnieuw duidelijk de grens.

 

1. De feitelijke context van het arrest geschetst

Een projectontwikkelaar dient een vergunningsaanvraag in teneinde zes nieuwe eengezinswoningen op te richten na de sloop van de bestaande eengezinswoning in woongebied met landelijk karakter en een deel van de stallingen gelegen in achterliggend agrarisch gebied. Hoewel het project niet stuit op bezwaren tijdens het openbaar onderzoek, weigert het college de vergunning. Hoofdargument is dat de zes woningen zullen leiden tot een té hoge woningdichtheid die op de beoogde locatie niet kan worden aanvaard. Het project ligt niet in de kern van een buitengebied, maar wel aan een typisch lint, ontstaan als verbindingsweg. De woningen zullen daarnaast in twee rijen dwars ten opzichte van de straat worden ingeplant, waarbij de bebouwing nagenoeg start aan de rooilijn en eindigt op de 50 m grens, zijnde de grens met agrarisch gebied waarbij er zich nog bestaande bebouwing bevindt in het agrarisch gebied.

In graad van administratief beroep verleent de deputatie een vergunning op basis van een aangepast plan. Er worden 6 woningen vergund, 4 in open bebouwing en 2 gekoppeld, en een berging, volledig gelegen in het woongebied met landelijk karakter. De stallingen in agrarisch gebied, achteraan het perceel, die in de oorspronkelijk ingediende aanvraag behouden bleven worden gesloopt zodat een groene zichtas naar de achterliggende open ruimte in agrarisch gebied tot stand wordt gebracht. Het achterliggende terrein wordt volledig vrij gemaakt en zal ingericht worden als boomgaard en collectieve volkstuin ten behoeve van de nieuwe bewoners van de voorliggende woningen. In het aangepaste programma daalt de bebouwingsgraad waardoor een kwalitatief aanvaardbaar bouwproject wordt gerealiseerd.

Het college kan zich niet verzoenen met de beslissing van de deputatie en trekt ten strijde bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.


2. Boomgaard en collectieve volkstuin al dan niet verenigbaar met agrarisch gebied?

Het college kaart de legaliteitsbelemmering aan die erin bestaat een terrein gelegen in agrarisch gebied in te richten als boomgaard en collectieve volkstuin voor de bewoners van het project.

Conform art. 11 van het Inrichtingsbesluit zijn de agrarische gebieden immers bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. De inrichting van een terrein als boomgaard en collectieve volkstuin voor de bewoners van een woonproject, kan niet anders beschouwd worden dan het inrichten van een zuiver ‘residentiële functie’, wat in strijd is met de gewestplanbestemming ‘agrarisch gebied’.

De deputatie en de vergunninghouder verweren zich door in eerste instantie te verwijzen naar een eerdere vergunningsbeslissing van de deputatie waarin het aanleggen van een moestuin in agrarisch gebied als een zone-eigen gebruik werd beschouwd.

In tweede instantie wordt opgeworpen dat er sprake is van een kleinschalig recreatief medegebruik dat toelaatbaar is op grond van art. 4.4.4 VCRO, conform het parlementair antwoord gegeven in de Commissievergadering nr. C78 — LEE12 van 11 december 2013.

In derde instantie wordt er verwezen naar een antwoord van de Vlaamse minister van ruimtelijke ordening op een parlementaire vraag om uitleg 'Over volkstuinen -in agrarisch - gebied' in de vergadering van de Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening, Energie en Dierenwelzijn van 30 mei 2017, waarin onder meer werd gesteld als volgt : "Het betekent niet dat er binnen landbouwgebied geen mogelijkheden zouden bestaan voor de aanleg van volkstuinen. Om te beginnen moet er worden gewezen op het feit dat er binnen de context van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening geen stedenbouwkundige vergunning nodig is voor het louter gebruik van gronden in functie van tuinieren. Voor zover de aanleg van volkstuintjes niet gepaard gaat met de oprichting van constructies, is dat dus mogelijk. Daarnaast zijn een aantal kleinere constructies vrijgesteld van de vergunningsplicht. Ik denk daarbij aan constructies met een maximale hoogte van 3,5 meter voor de teelt of bescherming van landbouwgewassen die na de oogst worden verwijderd, en aan open afsluitingen met een maximale hoogte van 2 meter."

Tot slot wordt gesteld dat groenaanleg en beplantingen niet zijn opgenomen in de lijst van vergunningsplichtige handelingen, vervat in artikel 4.2.1 VCRO.

De Raad oordeelt resoluut dat de inrichting van een terrein als boomgaard en collectieve volkstuin voor de bewoners van een woonproject niet anders kan worden gekwalificeerd dan het inrichten van een zuiver residentiële functie. Het college stelt terecht dat dit in strijd is met de gewestplanbestemming ‘agrarisch gebied’, dat bestemd is voor landbouw in de ruime zin. Voor wat betreft het opgeworpen antwoord op de parlementaire vraag is de Raad van oordeel dat los van de vraag of deze stelling al dan niet correct is, ze niet relevant is voor het beoordelen van het aangevraagde. De betrokken aanvraag is volgens de Raad immers een vraag om een vergunning te bekomen voor een project waarbij de woningen worden opgericht in landelijke woonzone en de gemeenschappelijke tuin bij die woningen wordt voorzien in agrarisch gebied. Zelfs indien in een aanvraag de tuinzone wordt omschreven als een boomgaard met collectieve volkstuinen, kan het aangevraagde project niet anders gezien worden dan als een woonproject waarvan de tuinzone zich situeert in agrarisch gebied. Voor wat betreft het argument van de vergunninghouder dat er geen vergunningsplicht bestaat voor groenaanleg en beplantingen, wordt de verleende vergunning ten onrechte opgesplitst. Een stedenbouwkundige vergunning is één en ondeelbaar, ook al zijn de verschillende onderdelen ervan in verschillende bestemmingsgebieden gelegen. Het tuingedeelte dat gelegen is in agrarisch gebied maakt integraal deel uit van het woonproject met zes woningen, waarvoor er een vergunning is verleend.

Conclusie:

‘Tuin’, ‘boomgaard’ of ‘collectieve volkstuin’ in agrarisch gebied …wanneer het onderdeel uitmaakt van een bouwproject (met onvoldoende zone-eigen tuin) komt het niet voor vergunning in aanmerking.